Canine Herpes Virus
Canine herpesvirus (CHV) infectie komt wereldwijd voor en veroorzaakt diverse afwijkingen, maar is het meest schadelijk voor puppies. De ziekte kan niet behandeld worden maar er is sinds kort een vaccin beschikbaar waarmee de ziekte voorkomen kan worden.

Wereldwijde verspreiding


CHV infectied werden in 1965 voor het eerst vastgesteld in de Verenigde Staten als de oorzaak van sterfte bij zeer jonge puppies (minder dan 2 weken oud). Sinds die tijd is de infectie in diverse landen waaronder Nederland vastgesteld.

Canine herpesvirus infectie is vooral een "groepsziekte"


Recent onderzoek heeft aangetoond dat in sommige fokkerijen 90% van de dieren een drager van het herpesvirus is. Daarnaast is aangetoond dat in de helft (48%) van de fokkerijen waar reproductiestoornissen werden gemeld honden aanwezig waren die in contact met het virus geweest waren.

Bronnen van besmetting


Vaginale afscheiding van de teef vormt de belangrijkste bron van besmetting via de mond of de neus van de pups tijdens de geboorte. De reu en de teef kunnen elkaar besmetten tijdens de dekking.Ook het contact met besmette honden onderling kunnen een hele kennel besmetten.

Er zijn nog onduidelijkheden over de rol van sperma als bron van besmetting welke momenteel onderzocht worden.

Wat zijn de belangrijkste symptomen?


Bij pups tot 2 weken leeftijd lijdt de acute vorm tot sterfte binnen 24-48 uur. Na infectie van een pups van meer dan 2 weken oud wordt het virus overwonnen of blijft de infectie chronisch en wordt het dier drager en kan het virus gedurende het gehele leven uitgescheiden worden. Soms zijn er verschijnselen van deze infectie aanwezig in tijden van stress, tijdens behandeling met bepaalde medicijnen, bij bepaalde ziekten of tijdens de loopsheid. De infectie kan bij de drachtige teef de placenta of de ongeboren vrucht bereiken waarna de puppies voor de geboorte of vlak erna kunnen sterven.

Langdurige aanwezigheid van het virus in fokkerijen


In een fokkerij kan de aanwezigheid van het virus voor problemen zorgen die steeds weer terugkomen, zoals: verwerpen, puppiesterfte en verminderde vruchtbaarheid bij een aantal teven. Deze problemen leiden ook tot ernstige economische consequenties voor de fokker.

Hoe wordt de diagnose gesteld?


Er kan het vermoeden van een CHV infectie zijn als er bepaalde symptomen en herhaalde reproductiestoornissen zijn. Toch moeten andere infectieuze oorzaken niet over het hooft gezien worden. De diagnose kan post mortum bij overleden puppies en door gebruik van verschillende laboratoriumtechnieken gesteld worden.

Hoe wordt de infectie voorkomen?


Momenteel is er geen effectieve behandeling voor een CHV infectie. Een voorzorgsmaatregel is om de nesttemperatuur zodanig omhoog te brengen dat de lichaamstemperatuur van de puppies ongeveer 38,5 ˚C blijft. Het identificeren van seropositieve honden én deze van het bedrijf te verwijderen lijkt de enige wijze om een fokkerij vrij te krijgen van het virus, maar is praktisch niet altijd uitvoerbaar. Kunstmatige inseminatie met vers of diepgevroren spermen voorkomt contact tussen de reu en de teef, maar kan een besmetting van het nest, als de teef drager van het virus is, niet voorkomen.

Bescherming van de individuele hond is mogelijk


De beste bescherming tegen de acute vorm van CHV bij pasgeboren puppies is vaccinatie van de teef met het nieuwe vaccin. Er zijn twee injecties noodzakelijk: de eerste tijdens de loopsheid ofwel 7-10 dagen na de dekking (of kunstmatige inseminatie) en de tweede injectie dient 7 tot 14 dagen voor de verwachte werpdatum gegeven te worden. De vaccinatie wordt goed verdragen en is veilig voor de teef en de puppies. De puppies zijn door de opname van het colostrum met de antilichamen van de moeder beschermd tegen de acute vorm van CHV infectie.

Sluit precies aan bij de epidemiologie van de ziekte:

Een optimaal niveau aan antilichamen bij de moeder op het moment van de geboorte van de pups, beschermt de pups door opname van de antilichamen door het colostrum.

Bescherming is aangetoond door een zware ‘challenge’ infectie na vaccinatie en bevestigd onder veldomstandigheden:

toename van het aantal gespeende pups.

De veiligheid van een geïnactiveerd vaccin bestaande uit gezuiverde virale subunits:

voor de moeder en haar pups hetgeen aangetoond is bij een groot aantal dieren: 20 verschillende rassen, meer dan 180 drachtige moederdieren, meer dan 500 worpen.

Een gemakkelijk vaccinatieschema:

dat goed in te passen valt in de normale drachtigheidsbegeleiding.

De eerste enting 7 dagen na de dekking en de 2de enting 10 dagen voor de bevalling.